1840, UFOs discussed in Dutch Antilles

ufo1

14th November 1840, the sky phenomenon of October 15th.

Although a month has already elapsed since this phenomenon occurred it cannot be considered unnecessary to report about it again, since it has yielded a generous substance for discussions and assessments. At around 9 o'clock on the evening of the report a light phenomenon, moving with rapid speed from north to south, was seen in a clear sky. It was at a height of about 40° above the horizon and disintegrated into a long and fairly broad stripe or tail. It had a phosphorous shine, and remained visible for about fifteen minutes. The line of light immediately broadened and then split into two parts, which, due to the various twists of the imagination, gave ample room to see the strange shapes of a snake or dragon.

The following interpretation of this phenomenon is, in our view, the most likely. The meteor consists of an accumulation of phosphoric dust that ignites the oxygen in the atmosphere; as a result this mass gets thinner until it completely dissolves into a long tail or stripe which remains suspended in the atmosphere until it is consumed by burning. This interpretation can be found in the "Konst and Letterbode" in a description of a similar phenomenon which was observed by Mr. Van Breda some time ago. The aforementioned scholar was at Bergen in Henegouwen, in a place that allowed him a clear view of a large part of the starry sky.

During a September night he saw a very large crowd of shooting Stars. The sky was exceptionally clear, the multiple shooting stars also glittered, standing their short appearance with an unusually strong light.

What particularly caught his eye was that after the disappearance of almost every shooting star a multitude of sparks remained for a few moments at the place of its disappearance, and that when the falling star disappeared the sparks in no way followed the rapid motion of the shooting star itself, but remained visible in the same place in the sky until they disappeared.

This phenomenon seems to fully confirm the feeling that the explosion or eruption of these stars takes place in the atmosphere of the Earth. After all the sparks were part of the shooting star. It was partly in the speed with which it was propelled, and by being separated from it the movement of its mass was in no way prevented from spreading into a larger space than that covered by one burst of the falling star. In this way they could form a luminous spot in the sky, but this luminous spot had to be moved at the same speed and in the same direction as the mother star, unless in the particular case that an unknown resistance prevented or completely destroyed the movement of the sparks.

Such a resistance does not exist outside the atmosphere; so that such a reduction in speed in this void of space does not explain itself, and the sparks, gas, vapor or whatever develops from the shooting star should be moved at the same speed as the mother star.

On the other hand if it is assumed that the sparks are created in the atmosphere, and if it is also noted that the volume of the body of the shooting star is amazingly increased, then the phenomenon of the stillness of the sparks is not inexplicable. With the volume increases the opposition, which opposes the atmosphere to the moving body, and with the increased opposition the movement decreases. There is nothing to argue that the volume of the sparks mass in which the shooting star dissolves is so great relative to the body of the star itself that the quickest movement is changed into an apparent standstill.

The explanation of this phenomenon, as it is given by the Lord of Breda, to Wollaston, bears the characteristics of novelty. It is at least not found in the "Beiträge Der Witterungskunde", Professor H. W. Brends most recent publication.

Original text plus Dutch clipping:

Iets over het luchtverschijnsel van den avond van den 15 oktober jongstleden. Hoewel er reeds een maand verlopen is, sedert dat dit verschijnsel plaats had, zo kan het toch niet nodeloos geacht worden hierop nog eens terug te komen, daar hetzelve een ruime stof voor gesprekken en beoordelingen heeft opgeleverd. De avonds van gemelden dag omstreeks 9 ure zag men aan een heldere hemel een lichtverschijnsel met een snelle vaart van het noorden naar het zuiden schieten en op een hoogte van omtrent 40° boven den horizon zich ontbinden in een lange en tamelijk brede streep of staart. Dezelve had een fosfor glans, en bleef omstreek een klein kwartier zichtbaar. Deze lichtstreep begon zich al dadelijk te verbrede en zich daarna in tweeën te splitsen, welke delen door de onderscheidenen kronkelingen der verbeelding ruim spel gaven om in dezelve vreemde vormen van een slang of een draak te zien.

De volgende uitlegging van dit verschijnsel is, naar het ons voorkomt, de meest aannemelijkste. Het meteoor bestaat uit een ophoping van phosphorische stof, die met de zuurstof van den dampkring in aanraking komende, ontvlamt; hierdoor wordt, deze massa telkens ijler, tot dat zij zich geheel in een lange staart of streep ontbindt, welke in den dampkring blijft hangen, tot dat zij zich brandende verteert.  Deze uitlegging vindt men in de Konst en Letterbode bij de beschrijving van soortgelijke verschijnsels, welke door den Heer Van Breda enigen tijd geleden zijn waargenomen geworden. Gemelde geleerde bevond zich te Bergen in Henegouwen en wel op een plaats, die hem een vrij uitzicht over een groot gedeelte van den sterren hemel vergunde.

Gedurende een september nacht zag hij daar een zeer grote menigte vallende Sterren het zwerk doorkruisen, de hemel was buitengemeen helder, ook de menigvuldige vallende Sterren schitterden,staande hare korte verschijning, met een ongemeen sterk licht.

Hetgeen hem daarbij bijzonder In het oog viel, was het verschijnsel, dat, na de verdwijning van bijkans iedere vallende ster op de plaats van hare verdwijning, gedurende enige weinige ogenblikken, een menigte vonken overbleef, en dat deze, bij het verdwijnen der vallende ster, geboren wordende vonken volstrekt niet deelden in de zo snelle beweging van de vallende ster zelve, maar tot hare verdwijning toe steeds op dezelfde plaats aan den hemel zichtbaar bleven.

Dit verschijnsel schijnt volkomen het gevoelen te bevestigen, dat de ontploffing of uitbarsting dezer sterren plaats heeft in den dampkring der aarde. Immers de vonken maakten een deel uit van de vallende ster; zij dele in de snelheid, waarmede deze werd voortbewogen, en door dat zij van haar werden afgescheiden, werd de beweging van hare massa in genen dele verhinderd zij konden zich bij ene uiteenbarsting der vallende ster in een groter ruim, dan deze besloeg, uitbreiden ; zij konden op deze wijze ene lichtende plek aan den hemel vormen, doch deze lichtende plek moest met dezelfde snelheid voortbewogen worden en in dezelfde richting, als de moederster, tenzij in het bepaald geval dat enig weerstand biedend middel de beweging der vonken verhinderde, vertraagde, of wel bijna geheel vernietigde.

Zulk een weerstand biedend lichaam levert het ledig ruim buiten den dampkring niet op ; zodat zulke ene vermindering van snelheid in dit ledig ruim zich niet verklaren, ja zelfs niet denken Iaat; en de vonken, gas, damp of wat het zij, dat zich uit de vallende ster ontwikkelt, met dezelfde snelheid, als deze zelve zouden moeten bewogen worden.

Wanneer men daarentegen aanneemt, dat het ontstaan der vonken in den dampkring geschiedt, en wanneer men tevens opmerkt, dat bij hetzelve het volumen van het lichaam der vallende ster verbazend wordt vergroot, dan Leeft het verschijnsel van het stilstaan der vonken niets onverklaarbaars. Met het volumen vermeerdert de tegenstand, dien de dampkringslucht aan het bewogen lichaam tegen-stelt, en met den vermeerderden tegenstand vermindert de beweging. Er is niets tegen, om te stellen, dat het volumen der vonken massa, waarin de vallende ster zich oplost, zoo groot is ten opzichte van het lichaam der ster zelve, dat de snelste beweging in enen schijnbare stilstand veranderd worden.

De verklaring van dit verschijnsel, gelijk  zij door den Heer van Breda, naar Wollasto n, wordt gegeven, draagt de kenmerken van nieuwheid. In de "Beiträge Der Witterungskunde" van den Hoogleraar H. W. Brandes, laatstelijk in het licht verschenen, wordt zij ten minste niet gevonden.

Source: De Curaçaosche courant, 14 November 1840.

1840 11 14 ufos discussed in 1840